De Opkomst en Ondergang van de Republiek Fryslân

Let op: dit is nog niet de definitieve versie. Met name het Fries moet nog gecheckt worden op fouten.

De Opkomst en Ondergang van de Republyk Fryslân

Het begon met de wetswijziging.

De politicus glimlachte terwijl hij zijn handtekening zette. De anderen keken toe, hun gezichtsuitdrukkingen variërend van berustend tot geërgerd. Het was niet hun wetswijziging, maar een noodzakelijk offer. Alles voor het algemeen belang van het Nederlandse volk.

De politicus keek op, zijn handtekening nog glanzend op het ceremoniële papier. Een triomfantelijke grijns brak door op zijn gezicht terwijl hij door de lens van de camera uitkeek over het Nederlandse volk. Hij had de verkiezingen niet gewonnen, maar zijn macht had hij nu toch kunnen uitoefenen. Als dat geen overwinning was…

Terwijl de politicus genoot van zijn denkbeeldige applaus, markeerde een plots opwellend geschuifel het einde van de vergadering. De premier zuchtte en veegde het fantoomhaar van zijn voorhoofd. Tijd om vooruit te kijken naar zijn eigen plannen, die eindelijk uitgevoerd konden worden. De duivel had zijn ziel, nu kreeg hij zijn beloning.

De vermoeide, afgestompte politici hadden hun papieren inmiddels bijeen geveegd en wensten elkaar in doffe bewoordingen een prettig weekend. Ze waren er aan toe. Slechts één politica verliet de zaal gezwind via de noordelijke deur, onopgemerkt door haar collega’s. Haar afwezigheid zou pas een week later opgemerkt worden.

*

De politica was niet de enige die op deze avond van compromis zachtjes en op vlugge voet verdween. Terwijl het Nederlandse volk verveeld verder zapte naar de volgende talentenshow, klonk een zacht geruis in de straten. Enkele duizenden deuren werden geopend en geruisloos gesloten. Auto’s werden onopgemerkt gestart en de motoren van de laatste treinen begonnen te brommen. Op elk station stapten kleine gezelschappen stilzwijgenden in. Allemaal bewogen zij in dezelfde richting: het noorden, geleid door een onweerstaanbare roep.

Tegen middernacht was de laatste trein binnen, het laatste voertuig over de grens. Op een enkele fietser werd nog gewacht. Het land der Friezen sidderde, het zoemde en het bromde. Het Friese bloed bruiste en leidde de Friezen de straat op. Stilzwijgend gingen ze aan het werk bij het licht van de lantaarnpalen en de zaklampen die trefzeker werden gericht.

Ferme Friese schouders zwoegden en ploeterden. Stille leiders wezen met korte gebaren naar de juiste plekken. Hun instructies waren nauwelijks nodig. Het collectief geheugen van de Friezen was ontwaakt, onbuigzaam en onomkeerbaar. Dit was de dag, dit was het moment. Een weg terug was er niet.

*

Het Friese land was in beweging, maar de rest van Nederland merkte het niet. Daar ging het leven verder als altijd, zestien miljoen mensen die zich een pad baanden door de kronkels en kreukels van hun bestaan. Zestien miljoen mensen die zich met een doel, een richting door de straten bewogen, kanotren in, de supermarkt door, terug naar huis. Zestien miljoen levens die naast elkaar bewogen, moeiteloos, met minimale frictie.

De ministers werkten nog een laatste, eindeloze week. Ze haalden de eindstreep maar net. Een diepe, verlammende vermoeidheid had de politiekelingen doordrongen. De politica ontbrak, maar werd nog niet gemist. Pas op de laatste dag keek een collega om zich heen en zei: “Ik mis die bril.” De anderen knikten en daarmee was het klaar. Tijd om naar huis te gaan. Eindelijk reces. Een week of twee weg, ver weg.

De volgende ochtend, acht dagen sinds de dag van compromis, vertrokken de ministers in hun auto’s, volgeladen met kinderen en onbestemde bagage. Een week of twee terug naar de natuur, dat zou de gezinsleden nader tot elkaar brengen. Wel in een viersterrenhotel uiteraard, want een beetje comfort was ook in de natuur niet misplaatst. De kinderen maakten ruzie achterin, maar voorin zaten de ministers, zonder stropdas, zonder politiek.

De auto’s van de nu-even-geen-politici kropen al vanaf zes uur ‘s ochtends door het landschap. Naar het zuiden en het oosten, op zoek naar warmere klimaten en vergane culturen. Slechts één auto reed noordwaarts voor een vakantie op de eigen eilanden. Wind, water en zand, wat wil een mens nog meer?

De staatssecretaris en zijn gezin hadden nog geen twee uur gereden toen de ex-politicus zich realiseerde dat de kinderen plotseling wel erg stil waren. Verbaasd sloot hij zijn lang uitgestelde bestseller en wurmde hij zich ver genoeg onder de gordel en koelbox vandaan om de achterbank te bestuderen. De twee tieners – dertien en vijftien jaar oud – staarden met grote ogen door de voorruit, alle elektronica vergeten. Nu werkelijk bezorgd, draaide hij zich weer om en tuurde zelf door de voorruit.

“Wat is dit?” vroeg zijn vrouw, binnenhuisarchitecte als zij niet thuis was. Hij antwoordde niet, maar staarde slechts naar de muur die zich voor hen oprichtte, nu nog in de verte, maar rap naderend. Was het wel een muur? Al gauw werd duidelijk dat het meer een versperring was dan een muur. De weg, het fietspad en het wandelpad naar het noorden waren geblokkeerd. Naar beide kanten strekte zich een bouwsel uit dat niet anders omschreven kon worden dan een soort-van-muur. Zo ver de staatssecretaris kon kijken slingerde het zich door het landschap naar het westen en oosten.

Het hele gezin boog zich naar voren, hun monden half open. Wat was dit? Een minuut later kwam de auto tot stilstand. De staatssecretaris en zijn gezin stapten uit, de tieners inmiddels gewend aan het schouwspel en wederom verdiept in hun mobieltjes. De staatssecretaris keek achterom en zag dat hun auto de enige op de weg was. Waar was het verkeer? Waren dit wegwerkzaamheden en had hij het bord ‘omleiding’ gemist? Zachtjes schudde hij zijn hoofd en staarde naar de vijf meter hoge, betonnen muur die zich van de ene kant van de weg naar de andere uitstrekte.

“Paspoarten, asjebleaft,” klonk een diepe stem.

“Wat?” Hij staarde naar de blonde, baardige man die plotseling voor hen stond.

“Paspoorten, alstublieft,” zei de man, een zure uitdrukking op zijn gezicht.

De staatssecretaris wisselde een wanhopige blik met zijn vrouw. Paspoorten?

“Jo moate in paspoart hawwe, as jo de Republyk Fryslân betrêdzje wolle.”

“Kunt u alstublieft Nederlands spreken, ik versta geen Fries.”

De man keek hem een moment aan, zijn gezicht onverstoorbaar.

“De grens is dicht,” zei hij toen en beende met grote passen naar de muur toe. Een flinke poort gleed geruisloos een stukje open om de man binnen te laten, toen was hij weg.

Republiek Fryslân? Had hij het nou goed verstaan? Een stukje verderop stond een jongen in een weiland naar hen te staren. Met de overall om het midden vastgeknoopt en een koe aan een lijntje, zag de jongen eruit als de ultieme boerenzoon. De staatssecretaris wenkte geestdriftig naar de jongen, in de hoop antwoorden te krijgen, maar de boerenzoon vertrok geen spier.

“Laat mij maar, pap,” zei Anne-Fleur, staatssecretarisdochter en professioneel jongensfluisteraar. Ze stapte uit de auto en trok haar met zorg uitgekozen nieuwe herfstjas aan. Zonder zich te haasten slenterde zij door het weiland naar hem toe. Het bontrandje van haar jas wapperde in de gure, noordelijke wind.

Terwijl Anne-Fleur met de jongen fluisterde, wierp de staatssecretaris een blik in de auto. Constantijn, staatssecretarisszoon, staarde naar het scherm van een apparaat dat de staatssecretaris vaag herkende als zijn laatste verjaardagscadeau.

“Alles in orde, Stijn?”

“Whatever, pap.”

Hij richtte zich weer op en tuurde naar het weiland. Anne-Fleur was uitgefluisterd en slenterde terug naar de auto. Tergend langzaam.

“En?” riep de staatssecretaris zodra zijn dochter binnen gehoorafstand was. De noordenwind blies dwars door zijn merinowollen vrijetijdsvest heen, wat zijn humeur niet ten goede kwam.

“Dat daar,” ze wees naar de muur, “dat is gewoon de Republiek Friesland. Er is geen verdrag of zoiets, dus je kunt alleen naar binnen met een paspoort.” Verveeld haalde ze een stukje kauwgom uit haar zak en begon erop te kauwen. “Die is mam zeker vergeten mee te nemen.”

“Wat?” was het enige dat de staatssecretaris kon uitbrengen, terwijl hij normaal zo werd bewonderd om zijn eloquente uitspraken – een feit waar hij zich ten zeerste bewust van was.

“Trouwens, Johan vraagt of ik kan blijven eten. Oké?”

“Wie is Johan?” vroeg de staatssecretaris, het spoor bijster. Met een lui gebaar wees Anne-Fleur naar de boerenzoon.

“Ben je helemaal gek geworden? Geen sprake van. Je kent die jongen tien seconden! En bovendien zijn we onderweg!” De woorden waren nog steeds pijnlijk on-eloquent, constateerde de staatssecretaris terwijl ze uit zijn mond rolden.

In een fractie van een seconde veranderde Anne-Fleur van lethargische adolescent in hysterische puber.

“Ik mag ook helemaal niets! Wisten jullie wel dat de didactische waarde van thuiszitten vrijwel nihil is? Echt leren doe je door te ervaren! Ervaringsgericht onderwijs heet dat! Dus als jullie willen dat ik werkelijk wat leer, móét ik dus wel bij Johan eten! Misschien leer ik wel hoe je een koe ontmelkt of zo! Dat is waardevolle kennis die ik in deze claustrofobische auto nooit zal opdoen!”

Het gegil van de staatssecretarisdochter was luider en scherper dan de noordenwind, maar stiekem voelde de minister zijn borst zwellen van trots. Dit was zíjn dochter. Zelfs tijdens een woedeaanval behoorlijk welbespraakt.

“Wat doen we?” vroeg de staatssecretarisvrouw, haar dochter negerend.

“Er zit maar één ding op, volgens mij,” antwoordde de staatssecretaris. “We gaan naar huis en halen onze paspoorten.”

Het gezin stapte weer in de auto, de staatssecretarisdochter met haar hoofd in een tastbare donderwolk. De terugtocht verliep volledig in stilte. Slechts halverwege verbrak Constantijn niet alleen de stilte maar ook zijn persoonlijke credo van desinteresse.

“Zeg…” het bleef even stil. “Zeg, ik wist helemaal niet dat Friesland een apart land was. Ik dacht dat het gewoon een provincie was.”

“Wat ben je ook een idioot!” snauwde zijn donderse zus. “Republiek Friesland. Dat weet toch iedereen!”

*

De inauguratie was kort, plechtig en nuchter. Precies zoals het de Friezen betaamde. Belangrijkdoenerij werd niet op prijs gesteld. De politica mocht zichzelf nu presidint noemen, een titel en een baan die ze resoluut had afgewezen. Als gevolg van deze ‘bescheiden aanvaarding’ zoals haar afwijzing in de lokale pers werd beschreven, ging de politica de geschiedenisboeken in als Earste Presidint fan de Soeferijne Republyk Fryslân.

Haar eerste actie als president was het afkondigen van presidentsverkiezingen over één jaar tijd. Dat was echter binnen een kwartier geregeld. Nu stond ze nogal verloren in een statige zaal met haar nieuw benoemde ministers, de vreemdste verzameling individuen die ooit een land hadden bestuurd. De meesten zagen eruit alsof ze nog nooit eerder een stropdas of kokerrok hadden gedragen, en een enkeling had duidelijk besloten dat gewone kleding al gek genoeg was. Geen van allen zagen ze eruit alsof ze blij waren met hun nieuwe baan. Sterker nog, ze zagen er net zo ellendig uit als de presidint zich voelde.

Een fototoestel flitste, het teken dat ze haar nieuwe ministers moest toespreken. Met een zucht stak ze van wal.

“Achte froulje en manlju. Jo wolle hjir net wêze. Ik wol hjir ek net wêze.” De verzamelde ministers, evenals de gezijlijnde pers, keken elkaar aan. Eerlijkheid was een groot goed in Friesland, maar er was ook iets als té eerlijk. Deze speech hoorde anders te klinken.

“Ik wit dat wy yn goeie regear wêze sille, krekt om’t wy hjir allegear net wêze wolle. Ik wit net wa’t de folgjende útspraak sizze hat – ik ha gjin tiid hân om dit praatsje foar te berêde – mar ik tink dat er gelyk hat: minsken dy’t  macht hawwe wolle, soene it meastal net hawwe moate. En minsken dy’t perfekt regeare kinne, wolle it meastal net.”

Ze stopte even om de aanwezigen dit te laten verwerken.

“Ik sjoch dat jo allegear gjin macht wolle. Jo wolle net regeare. Ik wol ek net regeare. Mar ik ha jo útkeazen om’t ik tink dat jo hiel goed wêze sille in jo nije banen. Fierder kin ik allinnich mar hoopje dat ik der gjin potsje fan meitsje. Ik sil yn elk gefal myn bêst dwaan. Dat is ek alles wat ik fan jo freegje. Kin ik op jo fertrouwen?”

Er klonk een instemmend gemompel. De president keek haar nieuwe ministers een voor een aan en kreeg een bevestigende knik.

“Moai sa. Dan moate wy no hiel hurd oan it wurk!”

*

De staatssecretaris en zijn gezin stonden diezelfde dag nog opnieuw voor de muur, dit keer met paspoorten. De man bij de doorgang bekeek ze zorgvuldig en gebaarde vervolgens dat ze door mochten rijden. De staatssecretarisvrouw gaf gas.

Afgezien van een sterker dan anders gevoel toerist te zijn, vierde het Haagse gezin de volgende tien dagen een doodnormale vakantie. De staatssecretaris had afwisselend ruzie met Anne-Fleur, die steeds maar met jongens probeerde te fluisteren, Constantijn, die weigerde naar buiten te gaan, en zijn vrouw, die hem afwezig vond. Deze normale gang van zaken stelde de staatssecretaris gerust en hielp hem het ongewone begin van de vakantie te vergeten. Het reces was een tijd waarin hij zich uitsluitend op zijn vaderlijke taken concentreerde en dat was precies wat hij deed. Huiverend van genoegen sloeg hij een pagina van zijn krant om, terwijl zijn nakomelingen elkaar aan de andere kant van de kamer met tijdschriften sloegen. De beledigingen die zij elkaar daarbij naar het hoofd slingerden, waren creatief en inventief, constateerde hij met genoegen.

*

Het reces was zoals altijd sneller dan verwacht weer voorbij. Met gemengde gevoelens fietsten de ministers op maandagochtend terug naar het Binnenhof en hun uitpuilende mailboxen. Om het lijden nog even uit te stellen, werd eerst het verplichte vakantieritueel afgerond.

“Fijne vakantie gehad?”

“Ja, heerlijk ontspannen met een goed glas en een uitstekend boek op het strand. Jij nog lekker kunnen uitrusten?”

“Ja, heerlijk. Heb eindelijk die bestseller kunnen lezen. Met een goed glas erbij natuurlijk.”

Tegen negen uur was de conversatie echter uitgeput, waarna de verzamelde uitvoerende macht zich schoorvoetend naar haar mailbox begaf.

De eerste algemene vergadering verliep langzaam en moeizaam. Een eindeloze lijst uitgestelde onderwerpen kwam aan bod en meer dan één kamerlid werd betrapt op stiekem tweeten. Een enkeling werd zelfs gesnapt tijdens het uploaden van een vakantiefoto naar Facebook. Dat de foto onmiddellijk dertig likes kreeg werd deze keer maar over het hoofd gezien door de voorzitter, die gauw zijn eigen like verwijderde.

“En dan is er nog een laatste verzoek binnengekomen,” constateerde de voorzitter tenslotte. “Een verzoek tot diplomatieke samenwerking.”

“Van welk land?” riep een der aanwezigen.

Hiervoor moest de voorzitter dan toch echt zijn leesbril opzetten. Hij tuurde naar de brief. “De Soeferijne Republyk Fryslân,” concludeerde hij na enkele seconden stilzwijgen.

De zaal viel stil, afgezien van het plotseling zeer luide getik van enkele mobieltjes. Zelfs die hielden prompt op.

“Sorry, welk land?” vroeg een man in pak tenslotte.

“De Soeferijne Republyk Fryslân,” las de voorzitter nogmaals van zijn briefje.

“Heb ik iets gemist?” vroeg een vrouw in onberispelijk mantelpak.

“Ik kijk wel even op wiki,” zei een man met stropdas. “Ah, hier staat het. ‘De Soeferijne Republyk Fryslân. Opgericht in 2015. Een democratie. Voertaal Fries met als tweede taal Nederlands. Wordt bestuurd door een president die hoofd is van de regering.”

“Zeg, waar is die bril eigenlijk?” vroeg een man zonder stropdas.

“Die is nu president van de Soeferijne Republyk Fryslân,” antwoordde de wiki-man.

“Ambitieus,” knikte een man in pak.

“Als ik het goed begrijp…” begon de premier. De volksvertegenwoordigers vielen respectvol stil en keken hun leider bemoedigend aan. “Als ik het goed begrijp, heeft de provincie Friesland zich onafhankelijk verklaard?”

De voorzitter, die ondertussen de brief nog eens goed had bestudeerd nu hij toch zijn foeilelijke leesbril op had, gaf antwoord. “Correct. De gehele provincie, plus de Friese Waddeneilanden.”

“Wat een onzin,” bracht de premier verontwaardigd uit. “Friesland is gewoon een provincie van Nederland.” Een instemmend gemompel klink onder de aanwezigen.

“Hoe gaat u op het verzoek tot diplomatie reageren?” vroeg de voorzitter.

“Dat lijkt me duidelijk. We accepteren de onafhankelijkheid van Friesland absoluut niet, dus het verzoek is afgewezen.”

“En de muur?” vroeg de staatssecretaris, die een en ander had opgeteld.

“Welke muur?”

“Er is een muur opgericht rond Friesland. Wij moesten nog terug naar huis om onze paspoorten op te halen.”

“Een muur?! Zijn ze nou helemaal gek geworden?! Stelletje Friezen!” riep de premier en sprong overeind, zijn anders nogal bleke gezicht rood aangelopen. “Zet maar in die brief dat de muur binnen tien dagen moet zijn afgebroken, anders volgen er sancties.”

*

“Sankties?” vroeg de presidint met ongeloof.

“Ja, wy moatte de muorre binnen tsien dagen ôfbrekke, oars folgje der sancties, stiet hjir,” zei de nieuwe minister van buitenlandse zaken.

“It is gewoan bluf. Ik ken him wol, hy blaft lûd mar docht neat,” antwoordde de presidint met een sluwe blik. Hoewel ze tot dan toe twijfels had gehad bij de onafhankelijkheid van haar heitelân, had deze brief het Friese vuur eindelijk ook bij haar weten aan te wakkeren.

“Wat dogge wy no?” vroeg de minister.

“Wat tinksto sels?” De presidint keek de minister onderzoekend aan.

“Wy dogge neat,” antwoordde de vrouw resoluut.

“Krekt. En ik ha tocht… kinsto net ris in oerlis ynplanne mei de provinsje Drinte? Ik kin my net foarstelle dat de Drinten sa goed behannele wurde troch Den Haag.”

“Sil ik dwaan!” antwoordde de minister, een voorzichtige grijns op haar gezicht. De presidint knikte en de vrouw verdween.

*

Ondanks de eindeloze stroom van andere zaken die zijn aandacht opeisten, kon de premier de Friese kwestie niet uit zijn hoofd zetten. Wat had dat stelletje boeren bezeten om zich onafhankelijk te verklaren? En waren het eigenlijk wel allemaal boeren? Droegen de Friezen wat bij aan de economie?

De regering was twee weken verder en halverwege het uitlezen van de inboxen toen de Friese kwestie weer aan bod kwam in een algemene vergadering. De premier had, na lang twijfelen, zijn ministers van Buitenlandse én Binnenlandse Zaken samen opdracht gegeven de stand van zaken te achterhalen. De betreffende heren, die anders weinig met elkaar van doen hadden, hadden de taak aanvankelijk met tegenzin aangepakt. In de loop van hun samenwerking ontstond echter een zeldzame synergie.

“De Friese situatie is als volgt,” zei BiZa.

“Er is weinig verandering in de situatie,” vervolgde BuZa.

“De muur staat nog steeds,” zei BiZa.

“Voor zover wij hebben kunnen nagaan, is er geen reactie gekomen op onze…uw…onze brief,” zei BuZa.

“De presidint wil echter graag in gesprek over diplomatieke banden,” zei BiZa.

“De presidint?” vroeg de premier met ongenoegen.

“Dat is de officiële titel,” antwoordde BuZa.

“Ook voor vrouwen,” voegde BiZa voor de zekerheid toe.

“Oké, we sturen nog één brief. Die muur moet gewoon weg,” zei de premier, zijn hele humeur verpest. “Sterker nog, deze hele onzin moet ophouden. Onafhankelijk, wat een onzin.”

Het bleef lang stil. “Zeg, hoe zit het eigenlijk met en economisch belang van Friesland?” vroeg de premier tenslotte.

“Oh, dat belang is verrassend groot. En mijn adviseur denkt bovendien dat ze het heel aardig kunnen redden zonder ons,” antwoordde BiZa.

“Shit,” de premier dacht even na. “In orde, we sturen een brief. Dat zal ze leren!”

*

“Premier?” BuZa kwam zijn kantoor binnen. De rode blosjes op zijn wangen deden de premier vermoeden dat de man opgewonden was. Een seconde later kwam ook BiZa binnenstormen, eveneens met rode blosjes. BiZa en BuZa keken elkaar even verwonderd aan, toen richten ze zich in koor tot de premier.

“Drenthe heeft zich aangesloten bij de Republyk.”

“Die heet nu: de Verenigde Republyk Fryslân,” zei BuZa.

“Omdat ze nu verenigd zijn met Drenthe,” voegde BiZa eraan toe. “Groningen heeft de noodklok geluid. Die hele provincie is nu fysiek afgesloten van Nederland.”

“Groningen voelt zich bedreigd en heeft daarom voorzichtige onderhandelingen geopend met de Republyk,” zie BuZa.

“Groningen ook?!” riep de premier verontwaardigd.

“Nou, ze willen eigenlijk helemaal niet. Friezen en Groningers, dat zijn geen vrienden. Maar ze vragen zich af wat Nederland nog voor hen kan betekenen als ze fysiek van ons zijn afgesloten.”

“En wat heeft Drenthe voor zichzelf te zeggen?” vroeg de premier.

“Drenthe heeft aangegeven zich al jaren achtergesteld te voelen in Nederland. Er is te weinig aandacht voor Drentse belangen. De Republyk heeft hen meer belangstelling beloofd.”

“En de muur?”

“Die wordt nu uitgebreid langs de grenzen van Drenthe, behalve aan de kant van Groningen. Het lijkt erop dat de Friezen goede hoop hebben op een alliantie met de Groningers.”

“Oké, dat is de druppel!” De premier sprong op en sloeg met zijn hand op tafel. “Het is tijd dat we deze waanzin beëindigen. Ik stel voor dat we tanks inzetten. Daar kunnen die Friezen niets tegen beginnen!”

“Oh, dat valt tegen. Ze hebben sowieso Vliegbasis Leeuwarden.”

“Tanks!” riep de premier nogmaals.

“Die hebben we volgens mij verkocht,” zei BiZa na enig nadenken.

“Maakt me niet uit. Je zorgt maar dat ze er komen! De Friezen zijn altijd slecht geweest in landoorlogen. Denk maar aan die boer, grote Pier of zo? Dat is hoe we ze gaan pakken.”

“Is dat verstandig?” vroeg BuZa. “Verschillende Europese landen hebben zich uitgesproken ten gunste van de Republyk. Dit kan als een oorlogsverklaring gezien worden.

“Een oorlogsverklaring vereist dat Friesland een ander land is, en dat is het niet! Dit is een doodnormale burgeroorlog en daar heeft niemand zich mee te bemoeien,” raasde de premier.

*

De Friezen aan de grens waren lichtelijk verbaasd, al gaven ze dat niet openlijk aan elkaar toe. Verschillende van hen hadden verrekijkers, waarmee ze de naderende tanks zorgvuldig bekeken.

“Binne dat Sherman tanks?” vroeg een Fries vol ongeloof.

“Ik sjoch ek in Tiger, tink ik,” zei een ander.

“In Tiger?”

“Ja, ik ha die opsocht doe ik Band of Brothers sjûn hie,” antwoordde de man. “Prachtich, die âlde tanks.”

“Ja, dat sjocht er wol ymposant út sa. Wat in gesicht!”

“Sherman en Tiger… binne dat net tanks út de Twadde Wrâldoarloch?” vroeg een ander.

“Ja, krekt. Ik soe wol ris witte wollen, wêr oft de Hollanders dy wei hawwe!”

“It museum, soe ik tinken.”

“Wurkje sy dan noch wol?”

“Ha! Dat binnen geweldige tanks, dy kinne net stikken.”

“Dan tink ik dat wy Ljouwert ris belje moatte.”

*

De avond viel en de Friezen keken vanaf hun muur neer op het leger dat voor de poort stond. Een ouderwets, dreigend leger. De Luitenant-Generaal keek tevreden naar de nette rijen tenten, keurige veldkeukentjes en onberispelijke tanks die voor hem uit strekten. Het was nog net geen Lord of the Rings, bedacht hij tevreden, maar toch zeker net zo goed als Game of Thrones. Wie al dat gedoe met vliegtuigen, schepen en langeafstandsraketten bedacht had, mocht wat hem betreft opgehangen worden. Wat trouwens ook al zo’n fijne, ouderwetse traditie as die ze om onduidelijke redenen afgeschaft hadden.

De LG stapte zijn tent weer binnen en voelde zich van binnen helemaal warm worden toen hij de met dierenhuiden beklede ruimte in zich opnam. Ja, zo ging een generaal te werk! Natuurlijk was hij geen generaal, maar hij had het geluk gehad dat de echte generaal deze week met zijn familie op vakantie was, en naar eigen zeggen ‘geen zin had om energie te verspillen aan een stelletje Friese terroristen’.

Dit was een zeer gelukkige samenloop van omstandigheden voor de LG, want de Generaal was een uiterst moderne man. De G had – als hij hier was geweest – ongetwijfeld slechts bevel gegeven enige drones door het Friese luchtruim te laten vliegen en wellicht wat specialisten ongezien in het hart van de provincie te droppen om informatie te verzamelen. De LG begreep daar niets van. Een goede, ouderwetse veldslag met de geur van modder en rondspattend bloed, dát was hoe hij het graag zag.

De premier had helaas nog geen toestemming gegeven om daadwerkelijk aan te vallen. De LG hoopte vurig dat dat snel zou gebeuren, want het wachten maakte hem nerveus. De vijand imponeren was goed, maar hij mocht beslist niet de tijd krijgen om zich op de aanval voor te bereiden.  Dat rondspattende bloed behoorde toch het liefste aan de vijand toe, wat de LG betrof.

Vlaggen! Hij liep met grote passen naar de uitgang van zijn tent en duwde de flap opzij. Ja, vlaggen! Dat was wat ze nog misten. Grote, imponerende vlaggen. Geen saaie rood-wit-blauwe strepen, daar werd niemand bang van.

“Korporaal!” riep de LG met luide stem. Meteen stapte een jonge, gladgeschoren man de tent binnen via een verborgen opening in het tentdoek.

“Ja, Luitenant-Generaal!” riep de man en salueerde.

“Wat zou jij ervan vinden om Vaandrig te worden?” vroeg de LG.

“Vaandrig, Luitenant-Generaal?” fronste de man.

“Ja, Vaandrig, korporaal. Maar dan in de ouderwetse betekenis van het woord: vaandeldrager!” Oh, dit was een uitstekend idee, al zei hij het zelf.

“Wat houdt dat in, Luitenant-Generaal?” riep de korporaal.

“De Vaandrig zorgt voor de vlaggen van het leger,” legde de LG geduldig uit.

“Vlaggen, Luitenant-Generaal?” Zijn vorige korporaal was een veel intelligentere man geweest, maar dat kon de LG niet waarderen. Een echt goede soldaat was sterk, loyaal en wat aan de domme kant. Zoals deze nieuwe korporaal, die tot nu toe uitstekend beviel, al viel zijn enthousiasme voor vlaggen wat tegen.

“De Vaandrig is een officier, korporaal. Het is de laagste officiersrang, maar toch echt een officier.”

“Ja, Luitenant-Generaal, ja!” riep de korporaal nu, zijn ogen plotseling glimmend van opwinding.

“Uitstekend, Vaandrig. Aan de slag dan.”

“Aan de slag waarmee, Luitenant-Generaal?”

“Zie jij vlaggen in dit kampement?”

“Nee, Luitenant-Generaal.”

“Precies. Aan jou te taak daar wat aan te doen. Ik wil minstens twintig vlaggen zien wapperen als ik morgenochtend naar buiten stap voor de ochtendboodschap.”

“Wat voor vlaggen, Luitenant-Generaal?”

“Ah, goed dat je het vraagt. Niets rood-wit-blauws. Ik wil iets opvallends, iets stoers, iets dat imponeert. Ik weet het! Doe iets met de leeuw! Je weet wel, de Nassauleeuw.”

“Uitstekend, Luitenant-General. Bedankt voor de promotie, Luitenant-Generaal!” riep de man, salueerde, en marcheerde de tent uit.

De LG viel neer op zijn met schapenhuiden beklede bed en zuchtte gelukzalig.

*

“Tanks?” vroeg de President, niet in staat het ongeloof uit haar stem te weren. “Oh, Sherman tanks en ek in pear Tigers? Nee, ik leau dy fuortendaliks. Tige tank foar dyn bericht.”

Er tolden zoveel emoties en gedachten door het hoofd van de Presidint dat ze een minuut lang geen woord kon uitbrengen. Toen keek ze haar verzamelde ministers aan. “Dy… dy geiteburd! Ik had altyd al tocht dat it net goed siet in dy man syn holle.”

“Wa syn holle?” vroeg de minister van Cultuur, die zich nooit eerder in politiek geïnteresseerd had.

“De premier fansels. Dy wol gewoan in moaie oarloch en neat oars. Hy wit dat hy de folgjende ferkiezingen net winne sil. En no sil hy de skiednis yn gean as de premier fan de earste Fryske oarloch.”

“Tinkest? Dat binne dochs Amerikaanske praktyken?”

“Ja, en no binne it ek Nederlanske praktyken. Hiest de man sjûn moatte, doe er de Amerikaanske President moete. Hy wie gewoan yn lyts bern.”

“Wat sille wy dwaan? Ik lês hjir dat er yn hiel leger foar de muorre stiet,” zei de minister van Buitenlandse Zaken, opkijkend van zijn druk zoemende telefoon. “Fêst tweintich tanks en in ding wêrfan men tinkt dat it in katapult is. Wat kinne wy dêr tsjin dwaan?”

“In katapult?” riep de presidint. “O, die gek moat de Luitenant-General it befel jûn hawwe. Dy man is ek net goed snik. En lykas sa gefaarlik. As der allinne mar wat mear froulju wiene, dêr yn Den Haag.”

De verzamelde mannen – toch net een meerderheid – keken elkaar verontrust aan.

“Oké, wy moatte hoe dan ek foarkomme dat it in echte oarloch wurdt. Der sille gjin slachtoffers fallen ûnder myn regiering. Gjin Fryske en gjin Hollandske.”

“Mar wy kinne ús dochs net oerjaan!” riepen de ministers in koor.

“Nee, dat kinne wy net. Mar wy kinne wol op in oare manier oarloch fieren.” De Presidint keek sluw om zich heen. “Ik haw in idee.”

*

De premier leunde achterover in zijn stoel, terwijl de camera op het scherm wild heen en weer bewoog. Een groot weiland vol tenten werd zichtbaar. Toen schudde de camera weer en kwam er een baardig gezicht in beeld.

“Ziet u, premier? Allemaal netjes opgesteld. We zijn er helemaal klaar voor! Heeft u de vlaggen opgemerkt? Anders laat ik u die nog even zien.”

“Nee, nee, het is in orde,” wuifde de premier de man weg. De vlaggen waren krankzinnig., evenals de man die ze bedacht had. Maar met een beetje geluk werden de Friezen er nerveus van, ondanks het leger van F-16’s dat ze volgens de minister van Defensie ter beschikking hadden. Vooralsnog was er echter geen glimp van de vliegtuigen gezien, wat de premier als positief beschouwde. Waarschijnlijk was de bril inmiddels radeloos van angst. Die oude Shermans zagen er immers nog steeds behoorlijk stoer uit, dat moest hij toegeven.

“Heeft u de beslissing al genomen?” vroeg de GL nu. De premier keek weer naar het scherm.

“Nee, nog niet.”

“Oh. Nou, we zijn er in ieder geval klaar voor!”

“Dat is me duidelijk. Dank u, Luitenant-Generaal.” De premier gebaarde dat de link verbroken moest worden. Meteen werden de belachelijke vlaggen vervangen door geruststellend kriebelende sneeuw. Een seconde later werd het scherm zwart en zag de premier zijn eigen gezicht weerspiegeld in het beeld. Wat heb ik toch een oude rotkop, bedacht hij met genoegen.

“Premier, er zit een delegatie uit Groningen op u te wachten in uw werkkamer,” meldde een assistent.

“Groningen?”

“Het lijkt me goed als ik hierbij aanwezig ben,” melden BuZa en BiZa vrijwel tegelijkertijd. Verstoord keken ze elkaar aan.

“Kom beide maar mee dan,” verzuchtte de premier. Hij vond deze hele Friese kwestie bijzonder vermoeiend, zo over het geheel genomen.

De Groningse delegatie bestond uit drie stropdassen met tergend volle bossen grijs haar. De premier voelde meteen een lichte ergernis opkomen.

“Wat kan ik voor u doen, heren?”

“Fijn dat u ons op deze korte termijn kunt ontvangen, premier. Wij zijn afgevaardigden van de Groningse Provinciale Staten.”

“Dat had ik begrepen, ja. Wat kan ik voor u doen?”

“Het is u wellicht ontgaan in alle commotie, maar wij staan voor een groot probleem nu Drenthe zich heeft aangesloten bij de Verenigde Republyk Fryslân.”

De premier knipperde geërgerd bij het horen van de nieuwe landsnaam. Waarom was iedereen er zo op gebrand die idiote provincie te legitimeren door het een republiek te noemen? Hij peinsde er niet over om Friesland iets anders te noemen dan Friesland, en zelfs dat deed hij liever niet als hij het kon vermijden. Wat hem betreft bestond dat hele rotland niet. Het was gewoon een stuk gras daar ergens in het noorden. Net zoiets als Groningen, maar dan met een bevolking die de vervelende neiging tot een eigen identiteit en misplaatste trots had.

“Gaat u verder,” zei hij uiteindelijk.

“Zoals u ongetwijfeld gewaar bent, is Groningen nu fysiek afgesloten van de rest van Nederland. Groningen is vanuit de rest van Nederland uitsluitend bereikbaar via de Republyk Fryslân… of Duitsland.”

“Duitsland?” De premier hees zichzelf omhoog in zijn stoel en leunde voorover.

“De Republyk weigert alle verkeer richting Groningen op de grond dat er geen handelsverdrag is tussen Nederland en de Republyk.”

“Nee, natuurlijk is er geen verdrag! Friesland is gewoon een provincie van Nederland. Net als Drenthe trouwens! Hoe zit het eigenlijk met de Drenten, hebben die nog enig financieel belang voor onze economie?” richtte hij zich halverwege tot een geschrokken BiZa.

Hij herstelde zich snel. “Toevallig heb ik dit vanochtend nog besproken met…” Hij wierp een snelle blik op de Groningers. “Met de minister van Economische Zaken.”

“En?”

“Het verlies van Drenthe is… minder gevoelig dan dat van Friesland voor de Nederlandse economie.”

“Mooi zo,” zei de premier.

De Groningers wisselden onderling een blik uit. “Zoals u begrijpt, is het een netelige kwestie voor Groningen als er geen handelsverkeer mogelijk is. Daarom zijn wij onmiddellijk naar de Republyk gestapt.”

“Oh?” grijnsde de premier. “En wat zei de presidint?

“De presidint informeerde ons dat zij u reeds weken geleden een verzoek tot het opstellen van een handelsverdrag heeft gestuurd, maar dat er geen reactie op is binnengekomen.”

“Dat klopt. Natuurlijk gaan wij geen handelsverdrag aan met een denkbeeldig land.”

De Groningers wisselden nog een blik. “U wilt dit niet heroverwegen?”

“Absoluut niet.”

“Dan danken wij u voor uw tijd, premier.”

“Ja, ja, goede reis naar huis. Redden jullie dat nog voor het donker?”

“Het is twee uur ’s middags, premier,” zei een van de Groningers met een verbaasde uitdrukking.

“Ja precies,” zei de premier.

“Wij zijn binnen drie uur thuis, premier.”

De premier fronste. “Serieus? Zo snel?”

De Groningers schudden hun hoofd meewarig en verlieten de kamer.

*

Een week later kampeerde de Luitenant-Generaal nog steeds in het weiland met zijn manschappen. Om zijn onrust en de verveling van de manschappen binnen de perken te houden, werden er driemaal daags schietwedstrijden gehouden. Dit was echter een schamele compensatie, vond de LG, die er zo langzamerhand serieus over nadacht om gewoon maar aan te vallen, toestemming of geen toestemming.

De LG werd echter gered door de premier, die halverwege de middag plotseling en met groot enthousiasme toch toestemming gaf om aan te vallen. De katalisator waren de Groningers, die zich die ochtend schoorvoetend maar vastbesloten hadden aangesloten bij de Republyk Fryslân. Met als dringende voorwaarde dat zij nooit en te nimmer Fries hoefden te spreken en uitsluitend in het Nederlands aangesproken zouden worden, of dan toch in ieder geval met Nederlandse ondertiteling.

Dit nieuws bereikte de premier terwijl hij vol frustratie uit het raam staarde. Zijn assistent liep naar hem toe en vroeg – voor de derde keer die dag – wanneer hij voor het laatst had geslapen. De premier weigerde daar antwoord op te geven, hoewel hij best wist dat het afgelopen donderdag was geweest. Het slaapgebrek gaf hem een zekere scherpte in zijn gedachtengang, vond hij.

“Bel de Luitenant-Generaal,” onderbrak hij de assistent.

De assistent keek hem wantrouwig aan.

“Doe het!”

Hierop zuchtte de assistent en verdween om een minuut later terug te komen met een telefoon.

“Luitenant-Generaal? Het is zo ver, zet de aanval in!”

*

De LG legde de telefoon neer en onderdrukte een grote grijns. Hij was omringd door zijn staf, dus grijnzen was niet professioneel. Hij draaide zich even om, plooide zijn gezicht in een toepasselijk ernstige uitdrukking, en draaide zich weer om.

“Heren, het is zo ver.”

De kolonels, majoors en andere rangen stonden op, hun gezichten eveneens serieus.

“Jullie kennen het protocol. We zetten de aanval in om…” Hij keek even op de klok. “…zestienhonderd uur.”

De heren salueerden en snelden naar buiten om hun manschappen voor te bereiden. De LG liep met grote passen naar zijn bed en trok er een spiegel onder vandaan. Kleding? In orde. Haar? In orde. Baard? Gladgeschoren. Blik? Precies vervaarlijk genoeg. Vastberaden verliet hij de tent en keek uit over zijn kampement, dat in geordende staat van oproer was. De manschappen waren uitstekend getraind en bewogen zich in trefzekere lijnen door het kamp. Binnen een half uur waren alle tanks, artillerie, voertuigen en geweren op de muur voor hen gericht. Alle helmen draaiden zich om, wachtend op het teken van de Luitenant-Generaal.

*

“It giet oan!” schreeuwde een blonde Friezin. De roep werd overgenomen door haar buren en verspreidde zich zo langs de muur. Alle wachtposten spoedden zich weg van de muur. Alleen de bevelhebber bleef nog even achter, om te controleren dat alle anderen in veiligheid waren. Toen draaide ze zich om naar het leger dat voor de muur stond, en nam de intimiderende rijen tanks, artillerie en gewone soldaten in zich op. Dit was een leger waar zij niet tegen wilde vechten, ook al hadden ze het voordeel van de vliegbasis.

“No sil ’t heve,” mompelde ze, alvorens met een onverwachte snelheid weg te sprinten. Tijdens het rennen deelde ze bevelen uit via haar portofoon. Onmiddellijk gingen de manschappen in de verte aan het werk, een hele rij graafmachines naast elkaar.

“Hoe stiet ’t der foar?” vroeg de bevelhebber over de portofoon, buiten adem van het rennen.

“Lit ik it sa sizze: ik ben bliid dat myn hûs op ’n terp stiet,” was het veelbelovende antwoord.

*

In een majestueuze massa-aanval die het Nederlandse leger in geen decennia meer gezien had, stortten de manschappen zich naar voren. De muur viel neer als een rieten hekje en de tanks walsten er zonder problemen overheen. De LG voelde zijn hart warm worden bij dit overweldigende succes en zocht met zijn verrekijker de Friese defensie, benieuwd naar hun reactie. Waar hingen die nationalistische bruten uit? Maar wacht eens even, de lafaards waren natuurlijk op de vlucht geslagen! De vlaggen, het moesten de vlaggen zijn

Iedereen was zo druk bezig dat hij zijn grijns dit keer niet onderdrukte. Een seconde later betrok zijn gezicht weer. Het was toch wel verdomde jammer dat ze die tanks niet één keer konden laten vuren.

De LG keek toe terwijl het leger, enkele honderden meters doorgedrongen in het Friese grondgebied, tot stilstand kwam. Besluiteloos keken de militaire heren elkaar aan. Zonder vijand konden zij geen richting bepalen. De LG riep zijn chauffeur en wachtte tot de simpele jeep aan kwam rijden. Veel liever had hij dit te paard gedaan, zoals die stoere generaal in Gladiator. Dát was nog eens oorlogsvoering!

Enkele minuten later arriveerde de LG aan de frontlinie. Hij sprong uit de jeep en plantte zijn voeten stevig in het drassige weiland. Met zijn vertrouwde verrekijker – een erfstuk – bestudeerde hij het grotendeels vlakke landschap. Hier en daar stonden wat clusters bomen die het verder volledig vrije zicht belemmerden. Afgezien van een enkele eenzame boerderij was er niets te zien.

“Horen er geen beesten in de wei te staan?” blafte hij geïrriteerd tegen het dichtstbijzijnde manschap – een sergeant aan zijn rang te zien.

“Ehm, daar kan ik zo geen antwoord op geven,” mompelde de man verontrust. “Staan ze misschien allemaal al in de stal?”

De LG dacht daar even over na. Het was inderdaad al oktober. “Kunnen schapen niet het hele jaar rond buiten staan?” blafte hij.

“Volgens mij wel. Schapen hebben geen zenuwen in hun poten, zodat ze geen last hebben van de kou. Heb ik wel eens gehoord. Dacht ik,” meldde een andere sergeant.

“Nou, waar zijn die beesten dan?” bromde de LG. Hier had de betweter geen antwoord op. Hij ploeterde een paar meter naar voren, in de hoop daar beter zicht te krijgen. Het was verrekte drassig in dit weiland, stelde hij vast. Misschien dat er daarom geen schapen stonden.

“Ehm, Luitenant-Generaal, meneer,” zei een van de sergeants aarzelend. De LG draaide zich weer om en zag hoe de twee sergeants nogal knullig met hun laarzen in de blubber rondstapten en verbouwereerd naar de aarde staarden.

“Wat is er, sergeant?”

“Ehm, Luitenant-Generaal, meneer, een half uur geleden was het hier lang zo nat niet.”

“Nou en?”

Hier had de sergeant niets op te zeggen. Althans, niets dat hij durfde uit te spreken.

Toen de LG na het middagmaal terugkeerde naar de frontlinie, trof hij een vreemd schouwspel aan. Alle tanks, voertuigen en artillerie waren beladen met manschappen. De reden was overduidelijk. Inmiddels was het land niet simpelweg drassig, maar hard op weg een Fries meer te worden. Onmiddellijk trok hij de eerste de beste groep officieren van hun tank af.

“Die Friese schoften hebben de dijk doorgestoken!” schreeuwde hij, terwijl een vreemde woede zich van hem meester maakte. Het hielp niet dat het water in kleine golfjes tegen zijn knieën klotste.

“Vooruit! Noordwaarts, naar hoger gelegen land!” beval hij.

De tanks kwamen ronkend tot leven en de manschappen sprongen in het kniehoge water. Aan alle kanten begon het water te kolken en spoten geisers van bruin water omhoog. De tanks kwamen echter niet in beweging.

“Wat is er aan de hand?!” beval hij.

“Het lijkt erop dat we vastzitten in de modder,” antwoordde een soldaat met een schaapachtige uitdrukking op zijn gezicht.

“Zitten jullie weer te treuzelen?!” grijnsde een andere soldaat bovenop een tank die wel met redelijke snelheid langs kwam rijden. De LG keek toe hoe de tank snel meters maakte, tot de voorkant plotseling diep in het water zonk. Alleen de achterkant stak nog uit het water, een fontein van water opspuitend, vanwaar de grijnzende soldaat inmiddels niet meer grijnsde.

In de verte bewoog iets. De LG greep zijn verrekijker weer en scande de horizon. Een rij van die verduvelde Friezen stond op een heuvel in de verte. Een Friese vlag wapperde loom in de zwakke wind. De LG smeet de verrekijker woedend op de grond. Met een plons verdween het uit zicht. Hij wilde niets liever dan eens even flink op de akelige Friese bodem stampen, maar zelfs dat voorrecht hadden die lui hem afgenomen met hun verrekte instant-meer. Terwijl het vuur in zijn aderen brandde, klonk er een luid gebulder. Een eskader F16’s vloog over hen heen in wat hij een akelig triomfantelijke formatie beschouwde.

Knarsetandend gaf hij het bevel om terug te trekken. Hier in het meer zaten ze als ratten in de val, als die F16’s terugkwamen. Op Hollands grondgebied konden ze hem niets maken, móchten ze hem niets maken. Dat bleef hij zichzelf voorhouden, terwijl het leger zichzelf langzaam uit de modder lostrok en terugkroop richting de Flevopolder. De tanks en artillerie moesten door tientallen mannen tegelijkertijd met horten en stoten aan touwen door de modder voortgetrokken worden. Tegen de tijd dat het leger weer op Hollandse bodem was, zag de LG niets dan een stelletje grijze, ellendige mannen die zich wanhopig bij een vuurtje probeerden te warmen.

*

“Verdomme, verdomme, verdomme!” raasde de premier en gooide te telefoon met zoveel kracht tegen de muur dat het in verschillende onderdelen op de grond viel. De assistent begon ze met een zuur gezicht op te rapen, maar hield zich wijselijk til. Ook BiZa en BuZa keken ingespannen een andere kant op – BiZa door het raam naar de lege binnenplaats en BuZa met grote interesse naar het koffietafeltje naast de deur.

“Wat is dat nou weer voor onzin?! Dijken doorsteken, hoe komen ze erbij!” schreeuwde de premier.

“Naar Hollands voorbeeld,” mompelde BiZa bijna onhoorbaar.

“Tijdens de Tachtigjarige Oorlog,” mompelde BuZa eveneens vrijwel onhoorbaar. Meteen ergerde hij zich aan die opmerking. Het was alsof hij een BiZa een soort tweeling waren, belachelijk. Maar in het licht van de Friese situatie wisten ze geen van beiden meer wie er nou eigenlijk verantwoordelijk voor was. En dus werkten ze samen, schoorvoetend, buurman en buurman.

“Wat?!” riep de premier, geërgerd.

“Niets, meneer,” zei BuZa voorzichtig.

“Niets?! Ons leger is net in de modder weggezakt!”

“We hebben altijd de marine en de luchtmacht nog,” zei BuZa. “Zal ik de minister van Defensie vragen zich bij ons te vervoegen?”

“Ach, die heeft niets nuttigs te zeggen,” wuifde de premier de suggestie weg. BiZa en BuZa keken elkaar bezorgd aan. Dit ging niet goed. Helemaal niet goed.

“Wat zei ze dan?” waagde BuZa.

“De luchtmacht weigert haar eigen vliegtuigen neer te halen, als puntje bij paaltje komt,” knarsetandde de premier.

“En de marine?”

“Den Helder weigert mee te werken. Zij sympathiseren met de Friezen,” siste de premier door zijn tanden, rood aanlopend.

“Ah.”

De premier zakte achterover in zijn stoel. De kamer was ouderwets, zowel de vloeren als de wanden waren bekleed met krakend, donker hout. Het hoge plafond werd gedragen door bijna zwarte dwarsbalken. BuZa kon zich bijna voorstellen dat stadhouder Maurits vierhonderdvijftig jaar eerder door dezelfde kamer gebeend had, discussiërend met zijn adviseurs. Had ook hij zijn zin doorgedreven, de adviseurs genegeerd?

Het was zo stil in de kamer dat de langgerekte piep van de deur hen bijna deed opvliegen. De staatssecretaris van onderwijs – degene die de muur had ontdekt – stapte binnen en keek angstvallig om zich heen. Wat had die man hier te zoeken? De premier negeerde hem, maar de staatssecretaris nam plaats op het puntje van de enige nog vrije stoel, een stapel boeken op zijn knieën balancerend.

“Heeft u tijd voor die onderwijskwestie die ik aan u wou voorleggen?” vroeg de staatsecretaris na enige minuten stilte.

“Nee,” antwoordde de premier.

“Oh.”

Terwijl ze in stilte verder peinsden – de staatssecretaris bleef gewoon zitten – realiseerde BuZa zich dat de Friese kwestie waarschijnlijk ook op Onderwijs een grote invloed had. Daar stonden tenslotte ook scholen, net als in Drenthe en Groningen. Bijna opende hij zijn mond om er iets over te zeggen, toen de premier plotseling opsprong en door de kamer begon te benen.

“Wat willen die lui toch? Wat willen die barbaren? Die terroristen!” mompelde hij. BuZa en BiZa keken elkaar aan, niet zeker of ze de vraag moesten beantwoorden.

De premier bereikte de andere kant van de kamer en marcheerde weer terug. Vlak voor zijn bureau stopte hij.

“Wat willen ze dan? Wat willen die rot-Friezen?! Wat moeten ze met zo’n muur?” barstte hij los. “Wat heeft dat nou helemaal voor zin?” zijn stem was zachter nu, bijna verdrietig.

BiZa en Buza zwegen angstvallig.

“Is dit het dan? Willen ze gewoon onafhankelijk zijn? Is de enige manier om ze terug te krijgen met geweld?” ging de premier verder. Alle energie was uit zijn toon verdwenen.

“Ik denk dat er wel een andere oplossing te vinden is,” doorbrak de staatssecretaris de monoloog. De premier draaide zich om en keek peinzend naar de man, die nog steeds met zijn stapel boeken voor het bureau zat.

“O ja?” bracht hij tenslotte uit.

“Ik denk dat ze Friezen best wel weer bij Nederland willen horen. Mits ze de belofte krijgen van meer aandacht in de toekomst. Een garantie.”

De premier zuchtte diep. Toen strekte hij zijn rug en haalde diep adem. “Prima. Ik geef toe. Ik geef jou de bevoegdheid diplomatieke onderhandelingen te starten met als doel een verenigd Nederland.”

BiZa en BuZa keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan terwijl de staatssecretaris dit liet bezinken.

“Vanuit welke capaciteit?” vroeg BiZa uiteindelijk. Ergens in zijn achterhoofd knaagde het akelige gevoel dat hij gepasseerd werd.

“Minister van… van… Buitengebieden,” antwoordde de premier met een hoofd alsof hij aan het poepen was. En toen de drie heren hem slechts sprakeloos aankeken: “Als teken van goede wil. Dat zal de presi…dint toch wel waarderen, hoop ik?”

“Ja, dat denk ik wel,” zei een verbouwereerde staatssecretaris. “Dank u, voor deze benoeming.” Hij sprak op kalme toon, maar van binnen begon een jubelstemming zich van hem meester te maken. Minister! Oh, wat zouden zijn kinderen trots op hem zijn! Niet langer staatsecretariskinderen, maar ministerskroost!”

“Hou me op de hoogte van je vordering,” zei de premier en gaf de minister een ongemakkelijk schouderklopje. “Ik moet even gaan liggen, geloof ik.”

*

“Nee,” zei de presidint daadkrachtig. “Dêr is it te let foar. Wy binne no ûnôfhinklik en dat soene wy ek bliuwe. Gjin ekskuzes, gjin herkânzing.”

“Binne jo der wis fan?” vroeg de minister van Friese Sporten en Spellen. “Sy sizze mear oandacht ta. Frysk wer werom as offisjele taal. En sy hawwe selts in minister fan Bûtengebieden oanstelt.”

“Ja, krekt,” beaamde de minister van Water. “It liket my ta dat sy echt betterskip tasizzen. Ik leau it wol, dizze brief.”

“Nee, it is gewoan te let. Ik fertrou die keardel net mear. Hy soe wat fan plan wêze,” zei de presidint.

“Tinke jo?” vroeg Friese Sporten en Spellen weifelend. “Ik fyn it hiel oprjocht klinken.”

“It is nee en neat oars!” beval de presidint.

*

De premier liet zijn hoofd in zijn handen zakken en wreef langzaam in zijn ogen. De minister had hem nog nooit zo verslagen gezien. In de wandelgangen ging het gerucht dat de premier zijn pensioen aan het plannen was. De Friese kwestie had hem gebroken.

“Wat is het ook een koppig mens,” mompelde de premier door zijn vingers.

“Het spijt me, dit had ik niet verwacht,” zei de minister nog maar eens.

“Koppig volk, die Friezen, in het algemeen.”

“Ik zie geen andere oplossing meer. Tenzij…” aarzelde de minister.

“Tenzij?”

“Misschien…”

“Zeg op, man!”

“Misschien moeten wij hen niet vragen zich weer bij ons aan te sluiten. Misschien moeten wij ons bij hen aansluiten…” De minister deed een stap dichter naar de deur en hield de premier angstvallig in de gaten

“Je suggereert dat wij ons aansluiten bij de Republyk Fryslân?” zei de premier met de grootst mogelijke minachting in zijn stem. “Serieus?”

“Ehm, ik bedoel, onder precies dezelfde voorwaarden als wanneer het andersom zou zijn. Weer terug naar de oude situatie, maar met nieuwe aandacht voor de buitengebieden.”

“Waarom zouden ze dat accepteren? Die voorwaarden hebben ze al afgewezen.”

“Nou, ook al is de uitwerking hetzelfde, het gaat om het gebaar,” zei de minister. Hij begon enthousiast te raken over zijn eigen plan en deed weer een stap dichter naar de premier toe.

“Gebaar? Je bedoelt onze vernedering,” kapte de premier het enthousiasme van de minister af.

De minister zweeg en keek naar zijn voeten terwijl de premier langzaam door de kamer begon te schrijden. Minutenlang was er geen ander geluid dan de krakende planken en piepende schoenen. Pas toen dat geluid plotseling stopte, keek de minister op. De premier stond midden in de kamer.

“Nee, het is geen vernedering. Het is een gebaar van respect,” zei de premier langzaam. “Respect en bescheidenheid. En dat maakt ons… oppermachtig!”

*

De minister keek statig, maar glunderend toe hoe de koning, de premier en de voormalige presidint poseerden voor de camera’s. De premier boog zich naar de microfoon. Met rechte rug en opgeven hoofd sprak hij het volk toe. Alleen degenen die hem goed kenden, zagen de subtiele trek bij zijn mondhoeken die een glimlach verraadde.

“Dames en heren, ik heet u welkom in… het Koninkrijk der Verenigde Friese Nederlanden!”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s